door: Klaas Dijkhuizen
‘VAR’, dilemma’s en Houdini
’s Nachts na de wedstrijd word ik wakker. Ik loop even in het donker naar de keuken en koekeloer naar buiten. Het is nog aardedonker en de straatverlichting is al minstens drie dagen uit. Het lijkt wel oorlogstijd. Het malen in mijn hoofd was al in de speelzaal begonnen. Bij thuiskomst gaat het ‘vrolijk’ door. ‘Ik had het toch anders moeten doen’, was telkens de gedachte.
Wat had ik anders moeten doen? Het betreft de remiseclaim op zet 42 van mijn tegenstander, Joop Houtman. Ik had gewoon de regels moeten laten toepassen. Maar de combinatie van beduusdheid door de claim in een totaal gewonnen stelling (+4.8 Stockfish), en de twijfel over de exacte FIDE-regels, doen hun werk. De juistheid zou getoetst moeten worden in de analysezaal en dit alles brengt je van slag. In elk geval haalt het je totaal uit de wedstrijd. Daarvoor speelde ik een partij uit één stuk. Pion voorsprong voor wit en een nagenoeg machteloze verdediging bij de tegenstander.
De ervaren wedstrijdleider is Wim van Beersum. Hij had eerst de simpele vraag moeten stellen: “Wie is er aan zet?” Dat was ik, en ik claimde geen remise. Conclusie: van een correcte claim was geen sprake. Dus moest en kon er doorgespeeld worden. De claimende speler moet de 3e zetherhaling namelijk noteren, maar niet uitvoeren, dan de klok stilzetten en de wedstrijdleider er bij roepen en. Joop had de zet dus wel uitgevoerd. Achteraf gezien bleek ik de regels wel goed te kennen. De ‘VAR’ heeft hier een beetje gefaald naar mijn mening.
Natuurlijk, ik had gemakkelijk mijn Th2 (eerst van de e-lijn naar de h-lijn, daarna twee keer verticaal naar h2) op een ander h-veld kunnen neerzetten, maar de eerste switch telde ik onbewust niet mee. De wedstrijdleider murmelde wat over de analyse in de zaal er naast. Ik was echter al van slag en accepteerde de frustrerende remise, want Joop is een ‘vette vis’ met 150 ratingpunten meer.
Mijn dilemma achteraf. Natuurlijk, Joop heeft een hoog sympathie-gehalte, maar ik denk nu toch dat ik ‘de regels volgen’ had kunnen eisen. Niets onsportief aan. Iedere schaker heeft immers een plicht de regels te kennen en te leren.
Op naar de overige partijen op volgorde van uitslag. Gemiddeld was ons team 116 ratingpunten zwakker en dus was Lewenborg de underdog. Een compliment voor de gastheer. In een supervolle speelzaal begon de wedstrijd nagenoeg op tijd.
Bord 5 – Marcel Pouw (LB, wit, 1900) – Robert Leenes (GC, 2008): 1-0
Marcel deelde als eerste een dreun uit. In een Konings-Indische partij wist hij een paard op e6 te plaatsen en te laten ruilen, maar wel met een gevaarlijke e6-pion als compensatie. Hoe het slot verliep, heb ik gemist. Met 4½ uit 7 is Marcel de topscorer van onze club geworden.
Bord 1 – Klaas Dijkhuizen (LB, wit, 1979) – Joop Houtman (GC, 2139): ½-½
Joop trof ik één keer eerder in een serieuze partij. Dat was al langer geleden dan ik dacht t.w. op 30 december 1980 in de laatste ronde van het Gasunie-toernooi. Joop had destijds meer van het toernooi verwacht en de motivatie was al lichtelijk verdwenen. Ik verwachtte niets van het toernooi en ging er gewoon elke ronde voor. In een Konings-Indiër won ik destijds met wit na ruil op f6 en K-aanval. Nog ‘vers’ in het geheugen.
Gisteren, na 46 jaar, de mogelijke revanche voor Joop. Dit keer kwam een Engelse opening op het bord met fianchettospel aan beide kanten van beide spelers. De zwarte loper op b7 stond echter ongedekt. In een gelijkwaardige stelling kiest zwart plotseling voor f5. Het is eigenlijk gelijk uit. Met Pd4 wordt gelijktijdig pion e6 (en indirect Dd8 en Tf8) en de ongedekte loper op b7 onder vuur genomen. Zwart moet slaan op g2, ik sla tussendoor op e6, win een kostbare pion en behoudt daarnaast een ijzeren stelling met potentiële vrijpion. Met een dikke plus op de SF-teller gebeurt dus vervolgens bovenstaande zoals beschreven in de inleiding.
Bord 8 – Don van Ravenzwaaij (GC, wit, 1843) – Boudewijn Hoogeboom (LB, 1697): 1-0
Boudewijn koos volgens mij voor de Pirc-verdediging en fianchetto op de K-vleugel. Veel heb ik er niet van gezien, maar bij de laatste blik stonden er plotseling twee witte pionnen dreigend op g6 en h6 en de zwarte Koning dus in het nauw. Het lukte Boudewijn niet om aan dit geweld te ontsnappen.
Bord 2 – Adrian Clemens (GC, wit, 2109) – Bruno Jelic (LB, 2084): 1-0
Ook hier een Konings-Indiër. Adrian speelde voortvarend de hele D-vleugel naar voren en leek daar de kansen te zoeken. Bruno moest het hebben van de K-vleugel met de opmars f5. Wie het hardste naar voren durft te rennen, heeft vaak kansen op de winst.
Toen ik later de situatie nog eens bekeek, was Adrian plotseling ook nadrukkelijk op de K-vleugel aanwezig met zelfs grotere dreigingen richting de Koning dan Bruno. Niet veel later kwam ook Bruno de analysezaal binnen met de melding, dat hij verloren had.
Bord 3 – Hiddo Zuiderweg (LB, wit, 1962) – Mathijs Huiskes (GC, 2032): 0-1
Hiddo begon iets later aan de partij, maar dat weerhield hem er niet van om al snel een mooie aanvalsstelling op te bouwen. Ld3, Ld4, Th4 en Dh3 en een halfopen zwarte K-stelling. Dat kon niet misgaan, was mijn indruk.
Maar…. Dh3 had mogelijk met pion g4 moeten worden voorbereid volgens de analyse achteraf. Nu kon zwart nog net op tijd zijn troepen reorganiseren en het initiatief meer en meer overnemen. Hiddo kon het tij niet meer keren. Een gemiste kans op winst leek het wel.
Bord 7 – Johan Jans (LB, wit, 1732) – Edwin Zuiderweg (GC, 2043): 0-1
De tweede Zuiderweg was de tegenstander van onze invaller Johan. Ruim driehond ratingpunten verschil. Dat is dus heel veel. Ook hier een Engelse opening met langdurig manoeuvreerwerk aan beide kanten. Johan hield met degelijk openingsspel en middenspel het tot bijna aan het einde van de avond vol. Ondertussen vermoedelijk stilletjes hopend op een mogelijke remise. Maar stapje voor stapje werd zijn stelling onder steeds grotere druk gezet om daar na drie uur toch onder te bezwijken.
Bord 6 – Peter Hendriks (GC, wit, 1936) – Jan Wiebe van Veen (LB, 1874): ½-½
Jan Wiebe begint langzamerhand de Houdini van de club te worden. Hoe vaak hij inmiddels weet te ontsnappen uit ogenschijnlijke onmogelijke precaire situaties is ongelooflijk. Peter Hendriks wist in de partij de druk enorm op te voeren. Zwarts’ koningsstelling moest haast wel een keer bezwijken onder de druk van pionnen op e6, f5, Toren en Dame was telkens mijn indruk in het voorbijgaan.
Jan Wiebe vocht echter voor wat hij waard was, kwam telkens met originele verdedigingszetten en na een dikke drie uur spelen wist hij opeens een degelijke verdediging te bereiken met gelijkwaardig materiaal. Ergens zou Peter iets moeten hebben gemist, maar ‘achteraf de koe in de kont kijken’ kunnen we allemaal.
Bord 4 – Govert Pellikaan (GC, wit, 1999) – Ton van Ingen (LB, 1953): 0-1
Ton en Govert maakten er weer iets moois van. Met ook hier Konings-Indisch, een lange witte rokade en ruil van de dames op d8 en geen zwarte rokade werd het een bijzondere partij. Lang leek Govert het betere van het spel te hebben, maar ook Ton is een ontzettend taaie verdediger. Langzaam maar zeker lukte het hem om aan de witte druk te ontsnappen.
In de eindfase werd het spectaculair. Ton zijn koning stond als een echte veldheer tussen de troepen op een kale D-vleugel, maar hij beschikte daar wel over een Ta2 en de b- en c-pion. Paard en Loper als reserve op de bank. De c-pion als speerpunt van de K-aanval. Verrassende zetten van beide kanten passeerden de revue, maar met minuscule stapjes van zwart kwam de overwinning toch meer en meer in zicht voor Ton. Tussendoor meende ik met Pd4 (na Lh3) nog een snel mat te zien voor Ton, maar hij koos voor zekerheid en overzichtelijkheid. Met Toren en twee pionnen (zwart) tegen Toren werd het pleit beslecht. De klok liep inmiddels naar twaalven.
Epiloog
Een mogelijk gemiste winst van Hiddo en een extra halfje van mijn kant, samen met het mooie halfje van Jan Wiebe, had theoretisch dus winst op kunnen leveren. Het mocht niet zo zijn. Nog eens de keiharde cijfers in tabelvorm hieronder.




