Door: Klaas Dijkhuizen
Dinsdag 26 november. Zowel Lewenborg 1 als 2 spelen in Het Dok hun eerste bekerwedstrijd. Lewenborg 1 tegen Van der Linde 1, en Lewenborg 2 (rating gemiddeld 1822) tegen HSP/Veendam 1 (ook 1822). Tegenslag was er voor Van der Linde, die ook al in april nog met 8-0 door Lewenborg werd verslagen. Na eerst hun sterkste speler Bert van der Leest te zien afzeggen wegens ziekte, moest ook een tweede speler zich afmelden. Een verzoek om de wedstrijd later te spelen, kwam een beetje laat op de dag en was daarom lastig of beter gezegd niet meer te honoreren. Met enige moeite, maar wel ernstig verzwakt qua speelsterkte, kwamen ze gelukkig nog wel met een viertal spelers opdraven. We beginnen echter met een terugblik op de spannendste wedstrijd van de avond en dat was die van Lewenborg 2.
Lewenborg 2 begon met een tamme en vreedzame remise. Aan bord 2 speelde Marcel Pouw (wit, 1854) tegen Bart Romijn (1812). In hoog tempo werden er na d4-opening een twintigtal zetten gespeeld waarna de vredespijp ‘buiten’ werd gerookt. Heel anders ging het toe aan de overige drie borden. Daar gebeurde zoveel, dat er in hoog tempo van links naar rechts moest worden geswitcht om maar niets te missen van drie superspannende partijen. Ver na elven werd de strijd pas beslist aan deze drie borden. Een strijd op leven en dood.
De eerste van deze drie die uit was, was Douwe Pol. Hij speelde met zwart aan het derde bord een bijzonder moeilijke partij tegen Kor Drent. Beiden hebben een rating van 1809. In het middenspel lukte het Kor twee verbonden vrijpionnen op de a- en b-lijn te krijgen (a4 en b5), ondersteund door D, 2x T en Loper. Douwe kreeg als compensatie een vrije c-pion op c4. Wie de partij in zijn voordeel leek te gaan beslissen, was zelfs aan de zijlijn heel moeilijk te beoordelen. Dat het geen remise zou worden, was wel vrij zeker. Belangrijk was vooral het in bedwang houden van de zenuwen vanwege de vrijpionnen. Continu moest de doorbraak richting promotieveld beoordeeld en berekend worden. Desondanks, eerst gaf ik Kor toch de meeste kans op winst. Factor twee in dit spektakel waren echter de zenuwen en hoe deze in bedwang te houden.
Douwe besloot op het juiste moment zijn vrijpion in beweging te zetten. Een paar zetten later stond deze op c2, geblokt door Dc1. Nog steeds lijkt wit, Kor, een tikkeltje beter te staan, maar hij begon zenuwachtiger te spelen met verdedigende zetten. Vermoedelijk had hij ook sneller moeten proberen zijn pionnen in beweging te krijgen. Daarnaast ziet hij een enorme verrassing van Douwe niet aankomen. Via Dc3 kan Douwe namelijk plotseling de Toren op a1 slaan met het offeren van de Dame. Wit moet terugnemen met zijn Dc1 en pion c2 kan vervolgens promoveren. Zwart heeft dan een toren voorsprong. De a- en b-pion van wit kunnen ondanks eendrachtige samenwerking niet meer de overkant bereiken. Kor geeft op, en Douwe kan weer een mooie en goed gespeelde partij op zijn conto bijschrijven. Tussenstand 1½-½.
Aan bord 1 speelt Jan Wiebe van Veen (zwart, 1870) tegen teamcaptain Sander Sprik (1874). Het lukt Sander langdurig om het zwart zo moeilijk te maken met dreigingen, dat Jan Wiebe niet aan rokeren toekomt. Toch, ondanks de koning in het centrum was de stelling zo compact, dat een gemakkelijke doorbraak ook niet snel mogelijk was. Jan Wiebe had wel continu het gevoel, dat hij alleen maar aan het ‘keepen’ was en dat slokte enorm veel speeltijd op. Met weinig tijd op de klok besluit hij als nog te rokeren. Drie zetten later staat hij de kwaliteit achter. Toch is de stelling nog steeds ingewikkeld. Ook Sander heeft steeds minder tijd en besluit in de slotfase een loper te offeren. Jan Wiebe neemt deze en dat betekent, dat hij de Df8 moet ruilen tegen een Toren. Toen de rookwolken een beetje waren opgetrokken had Sander alleen nog de Dame en een zestal pionnen en Jan Wiebe Lg7, Tc7, Pa7 en wat minder pionnen. Qua stukcompensatie leek het aardig in evenwicht, maar Sander kon na de offers en de heksenketel er na ook nog Db6 spelen. Eén van de twee stukken van zwart (op c7 en a7) zou daarom wegens een pion op b7 het onderspit delven. Zelfs met T+L kan je het dan de tegenstander soms moeilijk maken, maar de vele pionnen van wit zouden vermoedelijk vroeg of laat de doorslag geven. Jan Wiebe liet het zich niet meer bewijzen en gaf op. De stand nu: 1½-1½. Bord vier moest dus de beslissing brengen.
Bord 4. Daar zit Boudewijn Hoogenboom (wit, 1754) tegen Arjen Draijer (1792) te spelen. Ook hier zien we een supermoeilijk midden-en eindspel. Zwart valt pionnen op de a- en b-lijn aan, maar heeft een Lb7 die door eigen en Boudewijn zijn pionnen is opgesloten op de damevleugel. Boudewijn weet pionverlies in lichte tijdnood en met moeilijke stelling met precies spel en op originele wijze te voorkomen. Zwart geeft nog wel op het laatst een schaakje op de onderste lijn zonder dreiging. Boudewijn, al lang in tijdnood, kiest voor vluchtveld Kh2. Het is zijn eerste iets zwakkere zet, want beter was Kf2 om de stukken in het centrum te ondersteunen. Toch was er nog niet zoveel aan de hand als hij zijn pionnen maar liet staan op de K-vleugel, zijn Paard op c5 zet en met de toren op een gunstig moment naar de overkant brengt. Mogelijk staat hij vanwege het betere en actievere stukkenspel dan zelfs iets beter, maar ik geef toe dat het dan nog steeds een moeilijk eindspel geweest zou zijn. Boudewijn zit daarnaast dus ook nog eens in tijdnood, of beter gezegd nog steeds.
Dan besluit zwart iets te ondernemen op de K-vleugel met zijn pionnen. Zolang wits pion maar op f5 bleef staan, zou er dan nog steeds niet al te veel aan de hand zijn. En pion f5 werd goed ondersteund, dus de zwarte loper kon niet in actie komen. Toch wordt er opeens door wit geruild door f5 en op e6. Zwart zijn loper komt daardoor tot leven. Wit ruilt ook nog eens zijn sterke paard en de zwarte koning dreigt opeens via het centrum binnen te marcheren. Of dit laatste op dat moment nog te verhinderen was, kan ik niet goed zeggen. Wit’s koning stond echter op h2 en dat bleek te ver weg. Zwart kan wit zijn a- en b-pion veroveren en het is direct uit. Boudewijn geeft op. Zo mooi verdedigd en gespeeld in tijdnood, dan is zo’n nederlaag heel jammer en heel frustrerend. Lewenborg 2 verliest dus met 1½-2½.
Over Lewenborg 1 kunnen we kort en bondig zijn. De tegenstander was verzwakt en daarom zelfs veel te zwak om het ons moeilijk te maken. Alleen ik (bord 1, zwart) gooide als ‘Sinterklaas’ nog een ‘pepernoot’ in de hoek. Ik gaf pardoes pion d4 cadeau. De stelling oogde vervolgens als beton voor wit, Henk de Ridder (1751), die ondanks deze voorsprong direct ook maar remise voorstelde na 15 zetten. Ik kon alleen maar met veel risico doorspelen en accepteerde het dus min of meer noodgedwongen.
Aan bord 2 had Bruno Jelic (wit) een plus van 380 ratingpunten tegen. Ook hij kreeg direct ‘het paard van Sinterklaas’ c.q. Fred Visschers cadeau en maakte het af met een aanval op de koning.
Aan bord 4 had Hiddo Zuiderweg zelfs 1990 ratingpunten meer tegen Jaap Dijkstra. Na een e4-e5-opening besliste Hiddo (wit) de partij in het middenspel met het doorschuiven van pion d5 naar d6. Gelijktijdig daarmee zwart met Lc4 schaak zettend en de dame op c7 aanvallen. Jaap gaf direct op.
Aan bord 3 kreeg Ton van Ingen (zwart) nog redelijk goed tegenspel. Zijn koning, zonder al te veel bescherming, kon in het middenspel misschien worden aangevallen. Dat gebeurde echter niet. Het was juist Ton, die ergens in het middenspel beslissend toe kon slaan met dreiging van een K-aanval of stukwinst.
Lewenborg 1 wint met 3½-½ en gaat dus door naar de 2e ronde. Voor het 2e team is het al dus weer over en uit.
